Ga naar hoofdinhoud

Belastingdienst past standpunten aan voor ODV-omzetting, KEW bij echtscheiding en lijfrente invalide kinderen

Adfiz-Nieuws_Default.png

De Kennisgroep verzekeringsproducten en assurantiebelasting heeft drie standpunten gewijzigd die invloed kunnen hebben op de adviespraktijk van financieel adviseurs. De standpunten bieden duiding bij het omzetten van de oudedagsverplichting (ODV) naar een lijfrente en de fiscale route bij echtscheiding met een KEW. Het derde standpunt geeft meer informatie over de mogelijkheden tot premieaftrek voor lijfrenten ten behoeve van invalide (klein)kinderen. Het gaat om technische verduidelijkingen die voortkomen uit eerdere wetswijzigingen en beleidsbesluiten.

Omzetting Oudedagsverplichting (ODV)

Het eerste standpunt (KG:070:2022:3) betreft de omzetting van een ingegane oudedagsverplichting bij de eigen BV naar een lijfrenterekening. De kern van het standpunt is: de minimale uitkeringsduur hangt ervan af of het gezamenlijke bedrag aan termijnen onder of boven het wettelijk bedrag (het drempelbedrag voor de tijdelijke oudedagslijfrente) valt. Blijft het bedrag onder de het wettelijk bedrag, dan volstaat een minimale uitkeringsduur van vijf jaar. Gaat het om een hoger bedrag dan het wettelijke bedrag, dan geldt een minimale uitkeringsduur van twintig jaar, verminderd met de periode die is verstreken sinds het bereiken van de AOW-leeftijd. In het standpunt is sprake van een DGA die zestien jaar ouder is dan zijn AOW-leeftijd, dus dan komt de minimale uitkeringsduur uit op vier jaar (20 minus 16).

KEW bij echtscheiding

Het tweede standpunt (KG:070:2023:2) gaat over de kapitaalverzekering eigen woning (KEW) in echtscheidingssituaties. De praktijk laat zien dat echtscheiding vaak leidt tot vragen over de fiscale behandeling van de KEW, zeker wanneer één van de partners de woning verlaat. In het standpunt schrijft de Belastingdienst dat, wanneer twee partners gezamenlijk verzekeringnemer zijn van een KEW en één van hen heeft na echtscheiding geen eigen woning meer, de KEW niet volledig fictief tot uitkering komt. Alleen het aandeel van degene zonder eigen woning wordt fictief uitgekeerd. De partner die de woning behoudt, kan voor zijn helft gebruik blijven maken van de uitkeringsvrijstelling.

De partner zonder eigen woning kan eveneens gebruikmaken van de uitkeringsvrijstelling, ook al heeft de uitkering niet gediend voor aflossing van de eigenwoningschuld. Voor beide partners geldt dat de uitkeringsvrijstelling alleen van toepassing is als gedurende de looptijd is voldaan aan de bandbreedte-eis: de hoogste jaarpremie mag niet meer dan tien keer de laagste jaarpremie bedragen (de zogenoemde 1:10-eis).

Na de fictieve uitkering gaat het aandeel van de partner zonder eigen woning over naar box 3 en kan zonder heffing van inkomstenbelasting worden afgekocht. Deze verduidelijking geldt ook voor de spaarrekening eigen woning (SEW) en het beleggingsrecht eigen woning (BEW).

Lijfrente invalide (klein)kind

Het derde standpunt (KG:070:2023:14) gaat over de aftrekbaarheid van premies voor een lijfrente ten behoeve van een meerderjarig invalide (klein)kind. De Kennisgroep heeft het standpunt uitgebreid met twee nieuwe vragen en antwoorden, die voortkomen uit het besluit van 16 mei 2019.

De eerste nieuwe vraag (vraag 4) bevestigt dat premieaftrek ook mogelijk is als het (klein)kind op het moment van premiebetaling nog niet invalide is. Voorwaarde is wel dat op grond van een medische prognose duidelijk is dat het (klein)kind invalide zal zijn op het moment dat de uitkeringen ingaan. Dit kan onderbouwd worden met bijvoorbeeld een verklaring van een medisch specialist over het te verwachten verloop van het ziektebeeld.

De tweede nieuwe vraag (vraag 5) stelt dat er geen getalsmatig maximum geldt voor de aftrek van de lijfrentepremies. De lijfrenteuitkeringen moeten wel kunnen voorzien in het levensonderhoud van het (klein)kind. De Belastingdienst geeft aan dat de beoordeling ruimhartig mag zijn, rekening houdend met het inkomensniveau en de maatschappelijke positie van de ouders en de extra kosten die gepaard gaan met invaliditeit.

Belangrijk voor de praktijk: deze lijfrente kan uitsluitend als verzekering worden afgesloten. Bancaire varianten zoals een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht zijn hiervoor niet toegestaan.

  • Marc van Westerlaak
    Marc 2023

    Marc van Westerlaak

    Adviseur Public Affairs en Beleid