ZZP'ers
8. ZZP’ers
Zelfstandigen hadden tot de invoering van de Wet toekomst pensioenen beperkt toegang tot pensioenopbouw binnen de tweede pijler, bijvoorbeeld in het geval van vrijwillige voortzetting van de pensioenregeling na beëindiging deelname. Met de Wtp wordt het mogelijk gemaakt dat zelfstandigen - op basis van een experiment - binnen de tweede pijler een voorziening kunnen treffen voor een ouderdomspensioen en een nabestaandenpensioen. Doel van het experiment is te onderzoeken in hoeverre deze mogelijkheid de pensioenopbouw van zelfstandigen stimuleert.
Uitgangspunten bij het experiment zijn:
- het gaat om een duur van ten hoogste vijf jaar (met de mogelijkheid om de duur met maximaal vijf jaar te verlengen als besloten wordt tot structurele wetgeving voor pensioenopbouw in de tweede pijler voor zzp’ers. De experimenteerbepaling wordt dan verlengd tot het moment dat deze is omgezet in structurele wetgeving);
- een uitvoerder kan beslissen het experiment te beëindigen;
- flexibiliteit in premie-inleg.
Sociale partners (of een werkgever) kunnen een bedrijfstakpensioenfonds, een ondernemingspensioenfonds of een algemeen pensioenfonds vragen om een pensioenregeling voor zelfstandigen als experiment te laten uitvoeren. Bij een algemeen pensioenfonds geldt dit overigens uitsluitend bij een single client kring (d.w.z. een pensioenregeling gebonden aan één onderneming binnen één collectief vermogen).
Het fonds kan zelfstandig de afweging maken om deze opdracht wel of niet te aanvaarden. Het fonds mag de pensioenregeling uitsluitend aanbieden aan zelfstandigen die actief zijn binnen de werkingssfeer van het fonds of de onderneming (bindingsvereiste). Het fonds is verplicht dit te toetsen bij de zelfstandigen uiterlijk op het moment van start van de deelname. Voorwaarde voor het aanbieden van een pensioenregeling voor zelfstandigen in de tweede pijler is dat de regeling kan rekenen op draagvlak van de (potentiële) zzp’ers. Om dit te waarborgen is het verplicht zelfstandigenorganisaties te betrekken bij het experiment en te overleggen over:
- hoe de pensioenregeling voor zelfstandigen eruit moet zien, of
- het opstellen van de bestaande pensioenregeling die al voor werknemers geldt.
Verzekeraar, PPI of algemeen pensioenfonds hebben een zelfstandige bevoegdheid om een pensioenregeling voor zelfstandigen te introduceren, het bindingsvereiste geldt hier niet. Verzekeraar, PPI en algemeen pensioenfonds zijn niet verplicht zelfstandigenorganisaties te betrekken bij de vormgeving van de regeling.
Er gelden specifieke informatievoorschriften voorafgaand aan de deelname en beëindiging van de experimenteerregeling en bij de beëindiging van het experiment.
Informatie aan zzp’er bij aanbod deelname
Voorafgaand aan deelname aan de pensioenregeling moet de zelfstandige dezelfde informatie ontvangen als een werknemer. Aanvullend moet de volgende informatie worden gegeven:
- jaarlijkse totale uitvoeringskosten: per soort uitvoeringskosten afgezet tegen de jaarlijkse verwachte pensioenopbouw in procenten. De pensioenuitvoerder mag werken met concrete voorbeelden. Een zelfstandige mag vervolgens op basis van benodigde gegevens een persoonlijk inzicht opvragen van zijn reglementair te bereiken pensioen;
- de expliciete vermelding van vrijwilligheid in deelname;
- expliciete vermelding dat het niet mogelijk is gestorte premies tussentijds op te nemen;
- uitleg over de fiscale gevolgen van deelname, waarbij verplicht gewezen moet worden op de omkeerregel (premie aftrekbaar, uitkering belast). Ook wordt algemene informatie gegeven over gevolgen van inleg in een derde pijlerlijfrente, om de consequenties van deelname aan de tweede pijler te kunnen afwegen tegen vormen van pensioensparen in de derde pijler;
- inhoud en gevolgen van experiment, waaronder de looptijd van het experiment, gegevensuitwisseling in het kader van dit experiment en wat er gebeurt met de opgebouwde aanspraken als de experimenteerbepaling niet wordt omgezet in een structurele wettelijke regeling. En daarbij welke mogelijkheden er zijn bij einde van het experiment (vrijwillige voortzetting, waardeoverdracht en afkoop). De pensioenuitvoerder wijst erop dat hij het experiment kan stoppen na 5 jaar, ongeacht of de experimenteerbepaling alsnog wordt omgezet in een wettelijke regeling.
Informatie zzp’er bij einde deelname
Bij einde deelname moet onderscheid gemaakt worden in twee situaties:
Einde deelname vanwege niet-omzetten experimenteerwetgeving in structurele wetgeving
In deze situatie eindigt voor pensioenuitvoerders de mogelijkheid om zelfstandigen vrijwillig te laten toetreden tot een tweede pijler pensioenregeling. Voor een zzp’er betekent dit dat de pensioenopbouw stopt en het opgebouwde kapitaal in beginsel bij de pensioenuitvoerder blijft staan.
Verdere keuzemogelijkheden voor een zzp’er zijn:
- individuele waardeoverdracht op verzoek van de zzp’er naar een pensioenuitvoerder waar de zelfstandige geen vermogen meer opbouwt, maar wel reeds een pensioenvermogen heeft opgebouwd of naar de pensioenuitvoerder van een nieuwe werkgever (als dit aan de orde is). Ook is een eenmalige overdracht naar een derdepijlerlijfrente mogelijk. Het gaat alleen om overdracht van het opgebouwde vermogen tijdens het experiment. Het verzoek tot overdracht naar deze pijler moet binnen één jaar na beëindiging van de deelname zijn gedaan.
- afkoop (onder voorwaarden)
- vrijwillige voortzetting pensioenopbouw gedurende ten hoogste 10 jaar (in geval de pensioenuitvoerder dit aanbiedt)
Einde deelname omdat een zzp’er deelname beëindigt óf omdat de pensioenuitvoerder de tweede pijlerregeling niet meer aanbiedt aan zzp’ers
In deze situatie gelden de reguliere wettelijke bepalingen over afkoop en waardeoverdracht bij einde deelneming aan een pensioenregeling.
Verdere keuzemogelijkheden voor een zzp’er zijn:
- Vrijwillige voortzetting voor ten hoogste drie jaar (in geval pensioenuitvoerder dit aanbiedt).
In het kader van de experimenteerregeling kunnen risicodekkingen worden gesloten met een zzp’er, zoals een partnerpensioen, arbeidsongeschiktheidspensioen of een premievrije voortzetting bij arbeidsongeschiktheid. Een medische keuring om toegang te krijgen tot deze dekkingen is niet toegestaan, omdat er in de tweede pijler sprake moet zijn van collectiviteit en solidariteit. Bij beëindiging van deelname moet voor het nabestaandenpensioen een verplichte uitloopperiode van drie maanden worden geboden of een periode van zes maanden als dit wordt overeengekomen. Ook is er de mogelijkheid van uitruil van het ouderdomspensioen in voortzetting van de risicodekking voor het partnerpensioen.
De pensioenuitvoerder is verplicht een keuzeomgeving in te richten voor het maken van keuzes. De wettelijke norm ‘keuzebegeleiding’ geldt vanaf deelname aan de experimenteerregeling.