Nabestaandenpensioen
3. Nabestaandenpensioen
Het opnemen van een nabestaandenpensioen (partner- en wezenpensioen) in de pensioenregeling is een keuzemogelijkheid. Echter als hiervoor wordt gekozen, gelden er specifieke eisen waardoor het nabestaandenpensioen meer gestandaardiseerd is. Ook worden risico’s voor nabestaanden in veel gevallen verkleind. Verder wordt wettelijk geregeld wie onder het begrip ‘partner’ valt. Uiterlijk 1-1-2028 moet het nabestaandenpensioen aan de nieuwe eisen voldoen.
Partnerbegrip
Het partnerbegrip wordt uniform gemaakt. Er geldt één wettelijke partnerdefinitie voor alle partnerpensioenen. Op grond hiervan is sprake van een ‘partner’ als het personen betreffen die minimaal zes maanden samenwonen op hetzelfde adres en een duurzame huishouding met elkaar voeren. Voor partners die samenwonen en zorg voor elkaar dragen, maar dit niet hebben geformaliseerd via huwelijk, geregistreerd partnerschap of notarieel samenlevingscontract, kunnen pensioenuitvoerders een partnerverklaring gebruiken. Hiermee kunnen partners verklaren dat ze een gezamenlijke huishouding voeren, zorg voor elkaar dragen en voor de pensioenregeling gezien willen worden als partners. In geval van overlijden zonder partnerverklaring wordt het voor de achterblijvende partner mogelijk gemaakt om met een eenzijdige partnerverklaring aan te tonen dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding en zorg voor elkaar.
[!] Personen die bloedverwanten zijn in de eerste of tweede graad in de rechte lijn en met elkaar samenwonen worden niet gezien als partner.
Nabestaandenpensioen (partner- en wezenpensioen)
Voor het opnemen van een nabestaandenpensioen gelden nieuwe fiscale regels:
- Voor een nabestaandenpensioen op of na de pensioendatum gelden de volgende eisen:
- de financiering moet plaatsvinden op opbouwbasis;
- de hoogte bedraagt maximaal 70% van het ouderdomspensioen op de pensioendatum.
- Voor een partnerpensioen bij overlijden voor de pensioendatum gelden de volgende eisen:
- de financiering moet plaatsvinden op risicobasis;
- de dekking is onafhankelijk van de diensttijd (arbeidsverleden of jaren in dienst huidige werkgever) waardoor een deelnemer bij wisseling van baan geen nadeel ondervindt;
- de hoogte bedraagt maximaal 50% van het pensioengevend salaris en er hoeft geen rekening gehouden te worden met een franchise.
- de hoogte van het pensioengevend inkomen is begrensd tot €128.810 (jaarbedrag 2023), voor het salarisdeel hierboven kan een netto-partnerpensioen worden verzekerd (risicobasis).
- Voor een wezenpensioen gelden de volgende eisen:
- de hoogte is fiscaal gemaximeerd tot 20% van het pensioengevend salaris voor een half wees en 40% voor een volle wees. Er hoeft geen rekening gehouden te worden met een franchise;
- de dekking is onafhankelijk van het arbeidsverleden of de jaren in dienst bij de huidige werkgever;
- de eindleeftijd voor een wezenpensioen is in alle gevallen 25 jaar (zonder nadere voorwaarden);
- de financiering van het wezenpensioen volgt de wijze van financieren van het partnerpensioen (risicobasis).
Verplichte uitloopperiode van drie maanden
Bij het einde van een dienstverband is de oude pensioenuitvoerder verplicht de risicodekking van het partnerpensioen nog drie maanden voort te zetten als er geen aansluitend dienstverband is. Dit geldt alleen als in de pensioenregeling een partnerpensioen voor het risico op overlijden vóór de pensioendatum is opgenomen. Sociale partners kunnen overeenkomen dat de risicodekking zes in plaats van drie maanden automatisch wordt voortgezet. Dit zal dan in de pensioenovereenkomst geregeld moeten zijn.
In de uitloopperiode moet een gelijke dekking gelden als daarvoor. Het is mogelijk dat werkgever en werknemer een langere termijn overeenkomen. De uitloopdekking is met name bedoeld als overbruggingsvoorziening in de periode tussen twee banen in. De dekking vervalt op het moment van een nieuw dienstverband (of op de pensioeningangsdatum). Dit ongeacht de situatie of de nieuwe pensioenregeling van de betreffende werknemer een nabestaandenvoorziening kent.
Voortzetting dekking bij WW- of ZW-uitkering
Gedurende de periode van een WW-uitkering of ZW-uitkering moet de dekking van het partnerpensioen ongewijzigd worden voortgezet. Een deelnemer hoeft hiervoor geen actie te nemen richting de pensioenuitvoerder. Uitgangspunt voor de hoogte van de dekking is het laatstverdiende salaris voorafgaand aan de uitkering. In geval van een gedeeltelijke WW of ZW-uitkering is dit naar evenredigheid. Deze dekking moet ook worden voortgezet als een deelnemer aansluitend op de ZW-uitkering een WW-uitkering ontvangt.
Vrijwillige voortzetting partnerpensioen
Als er nog geen sprake is van een nieuwe dienstverband heeft een deelnemer de keuze om het partnerpensioen vrijwillig voort te zetten:
- na afloop van de uitloopperiode van drie maanden;
- na afloop van de periode van de WW-uitkering of ZW-uitkering.
Een pensioenuitvoerder die vrijwillige voortzetting aanbiedt, is tenminste verplicht dit voor 15 jaar aan te bieden. Een gewezen deelnemer moet altijd een actieve keuze maken voor vrijwillige voortzetting. De pensioenuitvoerder moet de deelnemer vervolgens jaarlijks informeren over de mogelijkheid tot voortzetting of beëindiging van de vrijwillige voortzetting van het partnerpensioen. De vrijwillige voortzetting loopt door totdat een gewezen deelnemer aangeeft dit te willen beëindigen.
Bij vrijwillige voortzetting wordt het nabestaandenpensioen gefinancierd uit het kapitaal voor het ouderdomspensioen (uitruil gespaard kapitaal). In de pensioenovereenkomst kan een maximum gesteld worden aan de hoeveelheid uit te ruilen kapitaal voor het partnerpensioen. Wanneer het pensioenkapitaal door de uitruil onder de afkoopgrens komt, is de vrijwillige voortzetting niet langer toegestaan.
De keuze voor vrijwillige voortzetting geldt ook voor een werknemer die (deels) ziek uit dienst treedt of als zzp’er aan de slag gaat. Ook blijft het mogelijk om bij einde van de dienstbetrekking de pensioenregeling (ouderdomspensioen en de risicodekking partnerpensioen) vrijwillig en daarbij voor eigen rekening voort te zetten.
In de pensioenovereenkomst kan een maximum gesteld worden aan de hoeveelheid pensioenkapitaal dat uitgeruild kan worden voor de financiering van het voortgezet partnerpensioen. Wanneer het pensioenkapitaal onder de afkoopgrens komt, is deze vorm van uitruil niet meer toegestaan.
Overgangsperiode
Uiterlijk per 1-1-2028 moet het nabestaandenpensioen voldoen aan de nieuwe fiscale regels. Opgebouwde aanspraken op nabestaandenpensioen (o.b.v. nabestaandenpensioen op opbouwbasis) blijven na deze datum geëerbiedigd. Ook bestaande opgebouwde aanspraken op bijzonder partnerpensioen blijven geëerbiedigd. Door deze eerbiedigende werking van eerder opgebouwde (bijzondere) aanspraken kan het voorkomen dat de totale uitkering voor een (bijzonder) partnerpensioen hoger wordt dan 50% van het salaris. Dit wordt fiscaal ook toegestaan.