Maandcolumn: Onverzadigbare honger

Maandcolumn: Onverzadigbare honger

Ter voorbereiding op de bijeenkomst van de World Federation of Insurance Intermediaries (WFII), komende week, heb ik de beleidsdossiers op een rijtje gezet waarmee we binnen Adfiz de afgelopen jaren bezig waren, waarmee we nu bezig zijn en waarmee we nog aan de slag moeten. Wat dan opvalt, is dat het zwaartepunt van wetgeving voor onze sector steeds meer verschuift van Den Haag naar Brussel. Ik noem een MiFID II, AVG en IDD uit 2018, de SFDR uit 2021, DORA uit 2023 en dit jaar de CSRD. En dan zitten (tot eind 2026) RIS, FIDA en de AI-act er nog aan te komen. Stuk voor stuk wetten en regels die een grote impact hebben op onze sector.  

Gelukkig zijn we als sector wel wat gewend als het gaat om ons vermogen onszelf aan te passen aan en mee te bewegen met veranderende omstandigheden. Maar dat neemt niet weg dat het een zware druk op ons legt. Zeker als je in ogenschouw neemt dat we daarnaast ook nog te dealen hebben met een toezichthouder die het soms nodig vindt om bovenop EU-regelgeving ook nog eens een flinke nationale kop te zetten, zoals het geval was bij de IDD. Want waar Europa voorschreef de klant te informeren op welke wijze je beloond wordt, werd het hier nodig gevonden om daar nog een flinke schep bovenop te doen. En de sector te verplichten de klant actief te wijzen op de hoogte van de beloning. Ik ga hier nu niet weer over uitweiden: we gaan het gewoon doen en zoals je weet ondersteunen wij je daar maximaal bij. 

Waar ik wel bij wil stil staan, is die neiging van onze regelgevers en toezichthouders om altijd maar meer te willen: strengere regels, striktere handhaving en zwaardere sancties. We zagen het bij de RIS, waar Nederland een vurig pleidooi hield voor een Europees provisieverbod voor beleggingsverzekeringen en beleggingsproducten, wat er trouwens niet gaat komen. En we zagen het ook bij de weeffout in de Wet bescherming klokkenluiders. Landen als Oostenrijk, Frankrijk en Ierland gaven direct aan dat er sprake moest zijn van een fout in de EU-regelgeving en stonden ook kleine bedrijven toe om een gezamenlijk meldkanaal in te richten. Maar de Nederlandse reactie was: het staat er zo, dus het mag niet. Pas na tussenkomst van Europa bond Nederland in.  

Onze sector zucht nu al onder een pakket aan regels en eisen dat nauwelijks te implementeren en uit te voeren is. En dat een enorme druk legt op de bedrijfsvoering van adviseurs en uiteindelijk de klant op kosten jaagt. Nóg meer verplichtingen en verzwaring van de regeldruk moeten we er echt niet bij willen hebben. Je vraagt je af waar de grens ligt? En of de lasten nog wel opwegen tegen de baten? Dat we in Nederland veel te ver zijn doorgeschoten qua hoeveelheid regels en star handhavingsregime is trouwens niet alleen mijn observering. Want exact dit constateerde ook de enquêtecommissie Fraudebeleid en Dienstverlening in haar rapport Blind voor mens en recht, dat vorige week maandag werd gepubliceerd.  

Moeten we alles dan maar op z'n beloop laten? Nee, natuurlijk niet. Want dat we vooroplopen qua regels en het toezicht daarop streng is, is niet erg. Maar het moet wel binnen proportie blijven en niet mijlenver voor de troepen uit zijn. Daar moeten we echt mee kappen. Gelukkig vind ik dat niet alleen. Ook de AFM adviseerde het kabinet eerder al om goed te kijken naar nut, noodzaak en impact van regelgeving. Het wordt tijd dat de daad bij het woord wordt gevoegd. En wat mij betreft starten we met dat te laten zien bij de Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen (Wbfo), die op dit moment wordt geëvalueerd. Daarin is voor variabele beloningen een maximum opgenomen van 20% van de vaste beloning. In de rest van Europa is het maximum 100% van de vaste beloning. Ik zou graag zien dat de Nederlandse onverzadigbare honger naar orde en controle wordt ingeruild voor een meer realistische, pragmatische en constructieve houding en dat we met de Wbfo aansluiting zoeken bij de rest van Europa. Dat is ook nog eens beter voor ons vestigingsklimaat.