Maandcolumn: Meer dan een paar onsjes meer

Nieuws
geplaatst op 6-5-2020  

Hoe zorg je dat consumenten ook tijdens de looptijd van financiële producten de juiste financiële afwegingen en keuzes blijven maken? Dit is één van de grootste vraagstukken waar wetgever, toezichthouder en markt sinds de invoering van het provisieverbod mee worstelen. Uit de evaluatie van het provisieverbod bleek klip en klaar dat er nog geen duurzaam model is om goede nazorg te financieren. Dat is alweer twee jaar geleden, en een oplossing is nog niet in zicht. Ik vind het dan ook een goede zaak dat de AFM onlangs heeft aangekondigd onderzoek te willen doen naar de beheerfase.

Alleen, dan moet de AFM wel de financiering in haar probleemanalyse meenemen. Anders vrees ik dat we blijven hangen in oplossingen die neerkomen op nog meer informatie naar consumenten sturen in de hoop dat ze zonder persoonlijk advies toch in beweging komen. Terwijl we weten dat dat bij lange na niet genoeg is om de gewenste aandacht en actie voor de gezondheid van de eigen financiën op gang te brengen. Weten is nog geen doen, heet dat.

Als we consumenten echt willen helpen dan moet het gaan om actief onderhoud. Dat vraagt een periodieke inspanning van adviseur én klant. De klant informeert de adviseur over belangrijke ontwikkelingen in zijn leven. De adviseur informeert de klant over wezenlijke wijzigingen in product en wetgeving. En samen kijken ze regelmatig welke actie nodig is om de financiële wensen en noden van nu en later op de juiste wijze in balans te houden. Dat is meer dan een paar onsjes meer dan de Wft zorgplicht. En dat kost dus tijd en geld. Maar het levert ook op!

Zo blijkt bijvoorbeeld uit allerlei meerjarige en herhaalde onderzoeken dat een langlopende relatie met een financieel adviseur tot betere financiële resultaten leidt. Afhankelijk van het onderzoek en de periode tot vier keer zoveel vermogen dan wie alleen in het begin of helemaal geen advies inwint. Maar over dat soort nazorg en onderhoud moet je wel vooraf goede afspraken maken.

En hoe lastig dat is blijkt uit het feit dat het aantal nazorgabonnementen in vijf jaar tijd is afgenomen van iets meer dan 20% tot nog maar 6% van de klanten. Of het nu gaat om hypotheek, arbeidsongeschiktheid of oude dag; de nazorg wordt in meerderheid achteraf in rekening gebracht. In zo’n model ligt het initiatief tot nazorg in de eerste plaats bij de consument zelf. In tegenstelling tot het abonnement waarbij de adviseur afspreekt de klant periodiek actief te benaderen; en dat is zeer wenselijk. Want keer op keer is duidelijk aangetoond dat veruit de meeste consumenten zelf het initiatief niet of niet op tijd nemen.

Het is kortom maar goed dat goede nazorg hoger op de agenda komt. Het is immers meer dan de hoogste tijd dat we met een open mind naar de financiering ervan gaan kijken. Ik heb eerder gepleit voor fiscale aftrekbaarheid, en ben nog steeds overtuigd dat dat een bijdrage kan leveren. Het onderstreept in ieder geval duidelijk hoe belangrijk financieel onderhoud is. Ik verwacht ook zeker dat gedragswetenschappelijke inzichten kunnen helpen, bijvoorbeeld door van onderhoud de default-keuze te maken. En tegelijk, als we vanuit regelgeving en toezicht gaan kijken welk niveau van nazorg minimaal gewenst is, en je wilt het probleem echt oplossen; dan is het onontkoombaar om ook te kijken hoe duurzaam en robuust financiering van het onderhoud geregeld kan worden door er een nader overeen te komen onderdeel van de productprijs van te maken.

Categorien: Vereniging